Uit de serie, de historie gaat door het eigen dorp. 

Ale Algra schreef "De Historie gaat door eigen  dorp",  I, II, III (1955, 1956, 1957), een bundeling  van stukken die hij wekelijks schreef in het Friesch  Dagblad over de geschiedenis van Friese  gemeenschappen. Hij ontving daarvoor in 1960 de  Joost Halbertsmaprijs.  De serie bestaat ook uit de delen 4,5 en 6. Bekend  is, dat het werk overgenomen is door een andere  schrijver. Deze informatie moet nog verder worden  uitgezocht. 

EXMORRA EN ALLINGAWIER

Gelegen in de laagste delen van de grietenij  Wonseradeel, zo werd van deze twee dorpen in  vroeger eeuwen gezegd, en het zal mee daarvan  komen, dat ze eerst vrij laat in de geschiedenis  opduiken. Al zijn er wel enkele terpen in de  omgeving, terpdorpen zijn volgens Boeles,  Exmorra  en Allingawier niet geweest, al zou de naam van  het laatste dorp dit wel doen veronderstellen.   Schraard, Schettens, Wons en Ferwoude vertonen  daarentegen wel het kenmerk van echte kernen op  de terpen, maar daartussen vindt men betrekkelijk  weinig van deze heuvels.
Mogen we daarom aannemen, dat Exmorra en  Allingawier eerst zijn ontstaan nadat de dijken het  land reeds beschermden, al hebben er hier en daar  wel eens een paar boerderijen in deze omgeving  gestaan? De toestand is vandaag de dag heel  anders dan voorheen, zelfs dan 100 jaar geleden.  Dat blijkt wel uit het kaartje. De talrijke meren zijn  verdwenen: Het Parregaster meer, het Makkumer  meer en de kleinere plassen, die ik heb  overgenomen van een oude kaart: Legmeer, Piers  of Heer Aylvameer, Tootmeer, 2 Kerkmeren,  Schiemeer en het reeds vóór 1700 drooggelegde  Melkmeer.
Men zou dan ook, gelet op al dat water, aannemen,  dat de bewoners hier steeds een stil en gerust  leven hebben geleid. Dorpen in dezelfde positie,  zoals Eernewoude en Suawoude, hebben de  stormen van de middeleeuwen niet gekend. Maar  dat is toch met Allingawier althans niet steeds het  geval geweest. Tussen de beide grote meren was  een tamelijk smalle verbinding. Oorspronkelijk is het  waarschijnlijk een gewone vaart geweest, waarover  een „zet" was. Toen deze vaart later door  afbrokkeling wijder werd, kwam er een veer. De  naam Jacle-set is blijven bestaan en wordt thans  nog gegeven aan een huis aan de weg van  Allingawier naar Workum, bewoond door de heer  Elzinga(1).


Een mooie afbeelding uit het atlas van..... (klik hier)
 

Toen in 1878 beide meren werden drooggemalen — waarover later — verdween natuurlijk ook het veer. Aan het Jacle-set herinnert de familienaam Van 't Zet, door de bewoner van 't huis Jacle-Set, Tjerk Tjerks in 1811 aangenomen. De naam is waarschijnlijk ontleend aan Jacla Feddes, die hier omstreeks 1450 een stins had. Hij was vetkoper en beheerste door zijn versterkt huis de overgang over het water tussen de meren. Een strategische positie, zouden we dus kunnen zeggen. Dat begrepen ook de Schieringers en daarom probeerden Douwe Sjaardema en Epe van Aylva daar ook een sterkte te bouwen, teneinde „Jacla Feddes en de Vetkopers pas en doortocht af te snijden". Hun poging, die zij in 1449 ondernamen, werd echter door Janco Douwema en.Jacla met andere Vetkopers verhinderd en de in aanbouw zijnde sterkte werd „ter aarde geslecht". Dat lieten de Schieringers echter niet op zich zitten. Vijf jaar later verschenen Goslijck Jongema en een troep Schieringers, gesteund door burgers van Bolsward, in Allingawier. Zij verwoestten de stins van Jacla Feddes en sloegen hem met 15 helpers dood. De stins van Jacla werd met de grond gelijk gemaakt en Jongema nam bezit van de goederen van de gevallen Jacla. Waarschijnlijk is er toen niets weer opgebouwd, want in oude kronieken en op oude kaarten komt geen stins meer voor. Wel was er volgens Schotanus later een Aylva-state te Allingawier, maar ook deze heeft slechts kort bestaan of het is een boerderij van deze rijke familie geweest. Op zijn eigen kaart geeft hij deze state niet eens aan.

In 1379 worden beide dorpen genoemd in een stuk,  dat ik al bij Wons en Schraard vermeldde. De  inwoners van Exmorra, Alingawere, Ferwolde,  Schraderwert en andere dorpen in de omgeving  stellen dan gemeenschappelijke regels op.

We kunnen dus met zekerheid zeggen, dat  Exmorra en Allingawier in de 14de eeuw dorpen waren. Wat Exmorra betreft, dit heeft een kerk, die  volgens de Voorlopige Lijst van Monumenten in de eerste helft van de 13de eeuw moet zijn gebouwd.  Dat is dus nog een 150 jaar eerder. Wie deze kerk  nu bekijkt, merkt van de ouderdom niet veel, want  de oude Friezen zijn met een pleisterlaag bedekt.  Natuurlijk is er aan deze kerk ook wel het een en ander veranderd in de loop der eeuwen. Ook de  toren is meermalen „op de helling" geweest. In  1802 beraadslaagden de florenen b.v. over de  deplorabele toestand van de toren, die in die tijd  hersteld is. Maar op de 27ste oktober 1836 werd door een windhoos de hele toren met balkwerk en klok weggerukt en een eind verder weer  neergesmakt. Hetzelfde lot trof de molen van Eerde Jans Teenstra. Weer werd de toren opgebouwd, doch enkele jaren geleden(2) heeft men hem tot de fundamenten afgebroken en toen geheel hersteld. In 1638 werd een klok geleverd door Jac. Noteman te Leeuwarden, welke echter door de Duitsers in 1943 is geroofd. Na de oorlog is er een nieuwe in de toren opgehangen. Het orgel in de kerk werd, zo vond ik in de Stads- en Dorpskroniek, in 1895 „ingewijd".
De kerk en toren van Allingawier zijn in 1634 gebouwd op dezelfde plaats, waar het kerkje, dat er in de Middeleeuwen was geplaatst, stond Van wanneer dit eerste kerkje dateerde, weet ik niet. Mogelijk uit dezelfde tijd als het bedehuis van Exmorra.
Van dit laatste wordt als bijzonderheid door meer dan één beschrijver  vermeld, dat het precies op de scheidslijn van Westergo binnen- en  buitendijks stond. De Monumentenlijst vermeldt, dat er in het kerkje  van Allingawier een gevelsteen is, die de bouw en het bouwjaar  vermeldt, maar ik heb die niet kunnen ontdekken bij mijn wandeling over het kerkhof. In 1783 werd het koor ingekort en het binnenwerk geheel vernieuwd. Men krijgt de indruk, dat er in de 17de eeuw en later minder solied werd gebouwd dan in de middeleeuwen. De klok werd in 1599 gegoten door Hendrik  Wegewaart. Ook deze klok is in 1943 geroofd, maar hij is uit de gevangenschap teruggekeerd. In de Monumentenlijst worden nog de eiken preekstoel uit de 18de en het doophek uit de 17de eeuw vermeld. 

Kerkelijk, Hervormd zowel als Gereformeerd, behoren de dorpen bij elkaar. Na de Reformatie hebben ze steeds gezamenlijk één predikant gehad. In de Roomse tijd was dat anders. Exmorra  had toen een pastoor, die 110 goudguldens (a ƒ  1,40) verdiende, terwijl er ook nog een „schraale" prebende was, die 40 g.g. opbracht en die voor het onderhoud van de koster diende.  Allingawier deed het nog grootscheepser. Deze parochie had een pastoor, die een inkomen van 90  g.g. genoot en een vicaris, die op 55 van deze  guldens mocht rekenen. De dorpen, die toen zeker nog heel wat kleiner geweest zijn dan vandaag, hadden niet te klagen over gebrek aan geestelijke verzorging in de middeleeuwen. Toen de hervorming een feit was geworden, werden, zoals ik al opmerkte, de beide dorpen  gecombineerd wat de predikanten betrof. Maar aanvankelijk moesten de grietenijen het vaak met  één dominee stellen. Omstreeks 1600 kwam daarin  verbetering en het was dan ook omstreeks dit jaar, dat de eerste dominee, Mense Regneri, zijn intree deed.

Van 1604—1611 werden de dorpen verzorgd door ds. Petrus Focking. Hij werd opgevolgd door ds.  Bernardus Gellius Acronius, iemand uit een zeer bekend predikantengeslacht. Er schijnt iets niet in orde te zijn geweest met deze dienaar, want ofschoon hij in november 1611 zijn intree al had gedaan, werd hem in december van dat jaar gelast zijn dienst weer te staken. Bij Burgwerd wees ik er al op, dat sommige dominee's wel eens op eigen houtje hun ambtswerk aanvaardden. Deze zaak schijnt echter spoedig geregeld te zijn, want in maart 1612 mocht ds. Acronius weer preken en in de 8 jaar, die hij in Exmorra en Allingawier nog heeft  gearbeid, zijn, voor zover ik kon nagaan, geen  moeilijkheden meer voorgekomen. Alleen werd op de classis gehandeld over het verdwijnen van „de  ijzeren koe" te Allingawier. Over die ijzeren koe is heel wat geschreven, al  bedoel ik daarmee niet speciaal die van Allingawier. Het schijnt, dat in verschillende pastorieen zoiets  stond als „Us Mem" te Leeuwarden, maar dan van wat kleiner formaat. Misschien kunnen we die  ijzeren koe het best beschouwen als een symbool  van een levende koe, waarvan de pastoor en later de dominee de inkomsten genoot. Omdat de begunstigde het recht had op de opbrengsten van  een koe (niet een bepaalde) zou dan van de ijzeren  (in de betekenis van blijvende) zijn gesproken. Maar ds, Kalma zoekt er nog meer achter. Wellicht  heeft deze ijzeren koe ook een soort sacrale betekenis gehad, stammend uit de heidense tijd, toen men bij de begrafenissen vaak een koe slachtte en de ingewanden aan de goden offerde. Opmerkelijk is b.v. wat Schotanus vertelt over een  oude gewoonte te Britswerd, waar zijn vader predikant was geweest:

In 't huys van de Pastorie plach een yseren koe bewaert te worden, dewelcke gewijdt zijnde by 't  opdraghen der dooden voor of achter 't lijck na 't  kerckhof gesleept na de superstitie der Paepsche  tijden, wanneer de nagelatene een levendich koe  aen den Priester vereert hadden om voor de Ziele  des afgestorvenen te bidden. lek heb in mijn  Kindtsheydt de stucken noch gesien.

Al heeft Schotanus zich misschien in de betekenis vergist, het lijkt er toch wel op, dat de koe niet altijd  als sierstuk in de pastorie heeft gestaan, maar in  een enkele plaats (sommige plaatsen) ook een „rol  speelde" bij begrafenissen. In elk geval kwam de  ijzeren koe voorheen op vele leggers van predikantstractementen voor en allicht heeft de  namaak-koe in de pastorie als een soort symbool of  bewijsstuk voor het recht van een bepaald  bestanddeel van het inkomen gediend. Dat het ijzeren beestje van belang was, blijkt wel uit het feit, dat de classis delibereerde over de zoek geraakte ijzeren koe te Allingawier in de dagen van ds.  Acronius. Of ze haar hebben teruggevonden weet ik niet. De tegenwoordige(3) dominee van Exmorra  en Allingawier heeft het „namaaksel" althans niet  op zijn studeerkamer. Uit deze zelfde tijd doet dr. Cuperus ook een mededeling, die aantoont, dat de  diaconie in de dorpen financieel niet buitengewoon  sterk stond. In heel Allingawier was maar één  bedeelde en toen deze voor een vrij lange tijd  onderstand nodig had, werd er een beroep op de  predikanten in de classis gedaan. Terecht merkt de  schrijver op, dat men van de opbrengst van de collecten in die dagen een niet al te hoge dunk  krijgt. De opvolgers van ds. Bernardus Acronius  waren Matthias Walsweer (1621—1624), Wessel  Acronius (1624—1632), Michael Holstius (1632 — 1646), die een jaar na de approbatie van zijn  beroep eerst kon worden bevestigd, omdat er bezwaren tegen hem schenen te bestaan,  Ambrosius Lauswolt (1647—1653) en Regnerus  Reen (1653—1662). En dan doet zijn intree in 1662  Wilhelmus à Brakel, de man, die eeuwen lang de  geliefde theoloog van het volk is geweest, wiens  „Redelijke Godsdienst" talloze malen is herdrukt en  die soms haast voor onfeilbaar werd gehouden,  zodat volgens Scheltema de spreekwijze ontstond:  „As Brakel it seit, sil it wol wier wêze". En hoewel Brakel zijn werk niet schreef te Exmorra, welke gemeente zijn eerste was, wil ik toch even uitvoeriger bij deze „kerkvader" stil staan. 

Zijn vader was ook predikant. Bij de beschrijving  van Makkum ontmoetten we hem reeds. Hij stond  eerst te Jellum en Beers, daarna nog een jaar op Texel en tenslotte nog 16 jaar te Makkum. Toen hij  te Beers en Jellum zijn intree deed (zijn eerste  gemeente), was de jonge Wilhelmus al 3 jaar. Hij  was in Leeuwarden geboren. Men leidt daaruit wel  af, dat de „oude" Brakel dominee op art. 8 is  geweest. Was dat inderdaad het geval, dan was hij wel een man van singuliere gaven, zoals dat artikel  eist. Zijn geschriften waren zeer geliefd, vooral „De  trappen des geestelijken levens" en „Het geestelijk  leven ende de staat eens geloovigen mensches  hier op aarde". Zij behoorden, zo zegt dr. Kaajan,  tot de meest geliefde geestelijke literatuur onzer  vaderen. Door zijn werkjes loopt een mystieke, gemoedelijke ader en ze getuigen van een man, die  zijn God liefhad. Op zijn zoon heeft de godzalige prediker een  onuitwisbare stempel gedrukt. De jonge Brakel, die de 2de januari 1635 te  Leeuwarden geboren werd, leefde als kind reeds sterk onder de sterke indruk van Gods liefde. 


 Kerk en toren van Allingawier,  omstreeks   1722. St. Ald Makkum: 31282

Hij doorliep de Latijnse school te Leeuwarden. Als hij  daarheen ging, vergezelde zijn vader hem een  eindweegs op de weg van Beers naar de  hoofdstad, op de terugweg biddend, dat zijn kind  later een sieraad van de kerk mocht worden. In  1654 ging Wilhelmus naar de academie te Franeker en 5 jaar later was hij gereed. Het duurde echter tot  1662 eer hij een eigen gemeente kreeg. De eerste  3 jaar was hij proponent met een generale zending,  zo schrijft dr. Kaajan. De 27ste juni 1662 bracht de  gemeente van Exmorra en Allingawier een beroep  op hem uit, dat hij aannam. Dat zijn vader toen te  Makkum stond, zal wel van invloed zijn geweest op de keus van de gemeente en op de aanneming. Hij  trad te Exmorra in het huwelijk met Sara Nevius,  een vriendin van Anna Maria Schuurman, hoewel  Brakel allerminst als een vriend der Labdisten  beschouwd kan worden.
Drie jaar later vertrok de jonge dominee naar Staveren. Het ging in die dagen snel, als een beroep was geapprobeerd, merkt dr. Cuperus op.  De 24ste november 1665 werd de zaak  goedgekeurd en reeds de 29ste vertrok Brakel  „met wijff, sack ende pack" naar Staveren, waar hij  de 3de december zijn intree hield. Later stond hij  nog in Harlingen en Leeuwarden en in 1683 deed  hij zijn intree te Rotterdam, waar hij tot zijn dood in 1711 werkzaam was. Meermalen voerde hij strijd  met de stedelijke regering, zowel te Leeuwarden als te  Rotterdam, omdat hij -opkwam voor het recht van  de kerk. In beide plaatsen is hij deswege geschorst  geweest. In Rotterdam schreef hij zijn „Redelijke  Godsdienst", dat een paar eeuwen lang het werk  voor 't volk is geweest. Ik heb exemplaren gezien  die in de letterlijke zin van 't woord stuk gelezen  waren. Als er een moeilijkheid was, dan werd vader  Brakel geraadpleegd. Het aantal herdrukken is zeer  groot geweest. Maar behalve schrijver voor het  volk was hij ook een zeer geliefd prediker. Hij  verstond de kunst om duidelijk en praktisch te  preken in een tijd, toen vele predikanten er op uit  waren hun geleerdheid te vertonen door preken te leveren, doorspekt met vreemde woorden en met  gezegden uit de klassieken. Bij de beschrijving van Ooster-Nijkerk heb ik er al eens op gewezen, hoe  een door en door rechtzinnig predikant met al zijn  scherpzinnigheid de gemeente stenen voor brood  leverde. Brakel had als stelregel, dat de predikant  „Geleertheyt gebruikende de geleertheyt op den  Preeckstoel verberge". Al heeft Brakel dan maar ruim 3 jaar te Exmorra en  Allingawier gestaan, deze gemeente is toch de  eerste geweest, die gebouwd en gesticht is door  de man, van wie gezegd wordt, dat hij behalve door  zijn geleerdheid en scherp verstand gekenmerkt  werd door de gave des gebeds en door de praktijk  der godzaligheid.

Met zijn opvolgers was de gemeente niet altijd even  gelukkig. In 1666 kwam ds. Petrus Kingma, die tot  zijn dood in 1680 bleef. Maar hij „was genegen tot  het glas", zodat hij nog al eens vermaand moest  worden vanwege ongepaste dronkenschap. Hij  maakte zich ook stinkende bij de overheid, toen hij  tegen de regel in, een kerkelijke commissie  aanvaardde binnen 2 jaar nadat hij zo'n functie had  bekleed (b.v. afgevaardigde naar een vergadering  van een synode in een andere provincie). De  Staten straften hem met de bepaling, dat hij nu in  geen 6 jaar zulk een commissie mocht aannemen  en toen hij met dit besluit spotte (wat een heel groot  kwaad was in de ogen der heren) maakten ze er 12  van en de praeses van de synode moest hem  scherpelijk vermanen, omdat hij om de hoge overheid gelachen had.
Ds. Kingma is in de kerk te  Exmorra begraven. Diezelfde eer genoot zijn  opvolger Onias Jorna (1681—1702), die echter ook  deze minder fraaie overeenkomst met zijn  voorganger vertoonde, dat hij wegens  dronkenschap kerkelijk moest worden behandeld. Van ds. Joh. Sadelaar, die dan komt en de  gemeente eveneens tot zijn dood diende (1705— 1747) kon ik goed noch kwaad vinden, dan  misschien dit ene goede, dat hij niet na een paar  jaar al weer vertrok. In 1748 werd ds. Georgius Lemke beroepen op een tractement van ƒ450 per jaar Hij deed zijn intree met een preek over 2 Cor. 1  : 4. Het schijnt, dat men toen al het tractement gefixeerd had op een bepaald bedrag. De  opbrengst der pastoralia was in het midden van de  18de eeuw door de lage huren (gevolg o.a. van de  veepest) zo gering, dat vele predikanten in armoede leefden. 


Een bijzonder aardig beeld van Allingawier in  vroeger jaren. St. Ald Makkum: 7250

Te Exmorra en Allingawier zijn in 1762 de  pastoriebezittingen  verkocht en  voortaan kreeg de  dominee e en vast tractement van
ƒ 500,- van de Staten. Het is te hopen, dat ds. Houtsma thans iets meer heeft. Maar in die tijd was dit vaste jaarlijkse  inkomen in vele pastorieën een uitkomst.
De twee volgende predikanten hebben weer tot hun dood  toe de gemeente van Exmorra en Allingawier  gediend: ds. Popke de Baron van 1752—1760 (hij stierf te Dokkum aan een uitterende ziekte) en ds. Petrus Henricus Noordbeek, die net na de  toekenning van zijn emeritaat overleed. De classis besloot toen, om de aanvraag als niet gedaan te beschouwen, opdat de weduwe nog kon genieten  van het annus gratiae (het jaar tractement, dat een  weduwe genoot).
Dan komen dr. Wiltetus  Bernardus Jelgersma (1777—1782), ds. Gerrit  Putting (1782—1785) en ds. Jan Philippus  Wassenaar. Deze laatste heeft 42 jaar de zorg voor de gemeente gehad, nl. van 1785—1827. Op 70- jarige leeftijd overleed hij en zijn zerk moet nog in of  bij de kerk aanwezig zijn.

Ds. Tamme Poppens de Haan was zijn opvolger. Hem hebben we al vaker ontmoet. Hij stond van  1829—1835 te Exmorra. Daar heeft hij zich met  grote ijver op de studie der talen toegelegd: Arabisch, Hebreeuws en Aramees. Daarnaast  wordt zijn ambtelijk werk zeer geroemd. In 1839, hij  stond toen te Ee, voegde hij zich bij de  Afgescheidenen. Voor deze kring was de geleerde  predikant een grote aanwinst en hij heeft dan ook  speciaal voor de opleiding van predikanten, eerst aan huis, later aan de Theologische School te Kampen, veel gedaan. Na ds. De Haan zijn er nog  een 20 predikanten aan de gemeente verbonden  geweest. Daaruit volgt, dat de meesten hunner slechts kort hier hebben gestaan en Exmorra en Allingawier als een aanloop in hun ambtelijke loopbaan hebben beschouwd. Te oordelen naar de plaatsen, waarheen zij vertrokken, meen ik te mogen concluderen, dat Exmorra en Allingawier steeds een rechtzinnige gemeente zijn geweest, ook in het midden van de 19de eeuw, toen het overal „Gronings" was, wat de klok sloeg. Wie een beroep kreeg van Putten, Oostermeer of IJlst in de vorige eeuw, was wel gekeurd wat zijn „ligging"  betrof. Een oude baas vertelde me eens, dat de hoorders uit zulke vacante gemeenten het liefst  kwamen, als Zondag 7, 23 of 24 aan de orde van behandeling waren. Daar kon op „gekeurd" worden.
Ds. de Haan werd opgevolgd door ds. Lambertus  Teddens (1835—1846). Daarna kwamen ds. J.A. Westenbrink Middelveld, die reeds een jaar na zijn  intree (in 1846) overleed, ds. A.W. Vermey (1847—1853), ds. C. Bosker (1855—1868), ds. J.G. Knotnerus (1868—1870), ds. W. J. Pijzel (1870—1871), een vooraanstaand figuur in de kringen van de Waarheidsvrienden, ds. W. Groeneveld  Harders (1872—1873), ds. A.A. Schouten (1874—1879) en ds. S. Schuurmans Stekhoven (1880—1887) de promotor van de christelijke school over wie straks meer. Na zijn vertrek was de gemeente 4 jaar vacant, wat mede zal veroorzaakt zijn door de doleantie, toen de kerkenraad en een deel der gemeente het kerkverband verbraken. Ds. G. Cazemier diende de verkleinde gemeente  van 1891—1894 en dan komen weer na een  vacature van enkele jaren ds. E. J. B. Janzen  (1899—1906), die naar Indië is gegaan, ds. P.  Bootsma (1907—1909) ds. J. Visser (1910—1917),  ds, A. Blink-Kramer (1918—1929), ds. J. van  Kui¬ken (1929—1933), ds A. Groot (1933—1935), ds.  W. Sybrandy (1936— 1939), ds. P. A. Lefeber  (1939—1942, ds. C. van der Vlies (1942—1944), ds.  J.J. Boning (1944—1947) en ds. B. Pokkema  (1948—1957). Een hele rij, maar dat komt er van, als  de gemiddelde ambtsperiode maar een jaar of 3, 4  is. Sedert 18 augustus 1957 is de herder en leraar van  de Hervormde gemeente van Exmorra en  Allingawier ds. R. Houtsma. Hij heeft volgens Van  Alphen 327 schapen onder zijn hoede. Er is een  kerkenraad, maar elk dorp heeft zijn eigen  kerkvoogdij. De diensten zijn zo geregeld, dat  Exmorra twee beurten krijgt tegen Allingawier één. Uit de vorige eeuw moet ik nog noemen een  geestelijk leidsman uit Allingawier, Dirk Jacobs Noordmans. Deze belezen boer was een der vrienden van ds. Felix en een gezien figuur in de Réveilkringen. Dr. Wumkes schrijft over hem:

Oant nou ta wier it folk yn Fryslan noch to folie  hâlden yn it ûnderwerplike en libbe men to slim by  gestalten en bifinings. Dirk Jacob Noordmans fan  Allingawier, in dreech kristen en foroare yn djippe  wegen, in danich frjeon fan ds. Felix, plichte to  sizzen tsjin hjarren, dy't ivich sa bikommere stiene:  „Jimme sitte ek altiten yn jimsels om to klauwen;  gean mei jimme kalde foetten nei it fjûr Christi'. En  tsjin de Berltsumers, dy't ek sa it ûnderwerplike dreauwen, sei er: „Jimme binne my fiersten to krap yn de skoen".


De Kerk van Exmorra anno 1723 : St. Ald Makkum 9847

Zoals ik reeds meedeelde, bracht de doleantie in 1888 splitsing op kerkelijk gebied. De 6de augustus 1888 vergaderden ten huize van Jitze Feenstra te Allingawier, drie kerkenraadsleden n.l de ouderling Ulbe Gabes Wynia van Allingawier, Jitze Romkes Feenstra, diaken te Allingawier, en Bauke Joukes Wiersma, diaken, eveneens te Allingawier.

De andere ouderling, Tj. Wiersma van Exmorra, wordt niet genoemd in de eerste notulen van de Nerduits Gereformeerde kerk, maar wel in het  kasboek, dat op deze zelfde dag werd aangelegd. Hieruit zou dus te concluderen zijn, dat ook hij meeging en dat derhalve de hele kerkenraad vóór „doleren" was. Aanwezig waren ook dr. L. Wagenaar, die vroeger te Wons had gestaan en in deze streken zeer veel invloed had en ds. R.K.  Brouwer van Makkum. Ook de kerkvoogden van  Allingawier waren present, die van Exmorra  „ondanks uitnodiging" niet. Dr. Wagenaar hield om 2 uur in de Hervormde kerk te Allingawier. een preek over 1  Petrus 2 : 6—9 en daarna werd een voorstel om het kerkverband te verbreken, terug te keren tot de Dordtse kerkenorde en aansluiting te zoeken bij de  Nederduuits gereformeerde (dolerende) kerken door de aanwezigen met algemene stemmen  aangenomen. Aan de koning en de burgemeester werd hiervan bericht gezonden, terwijl aan de consulent, ds. Lambers, werd geschreven, dat men  op zijn diensten geen prijs meer stelde. De kerkvoogdijen werden opgewekt, om de kerkeraad trouw te blijven en meester Roosjen werd vermaand, om zijn ambt als voorlezer en voorzanger te blijven uitoefenen. (Meester Roosjen is Hervormd gebleven. Hij verliet  echter nog hetzelfde jaar Exmorra.) De gemeente werd door middel van bezoek en circulaires bewerkt. Men krijgt de indruk, dat de doleantie meer aanhangers in Allingawier had dan in Exmorra. S.D. Wouters van Exmorra werd  voorlezer en voorzanger en reeds direct werd  omgezien naar een dominee. De gemeente was bijzonder gelukkig, want reeds op de  kerkenraadsvergadering van 2 januari 1889 werd meegedeeld, dat ds, H.R. Nieborg een beroep had  aangenomen. In maart deed hij zijn intree in de  Hervormde kerk te Allingawier, die nadat een tijdje  een timmerschuur was gebruikt van de Hervormde  gemeente werd gehuurd. Dr. van Lingen bevestigde hem des morgens. De collecten in beide diensten bedroegen resp. ƒ 5,31½ en ƒ3,46!! Er werd aanvankelijk alleen in Allingawier gepreekt, wat waarschijnlijk het gevolg is geweest van het feit, dat de kerkvoogdij daar met de  doleantie meeging. Na enkele weken echter werd „om en om" gepreekt. In beide dorpen werd op de  duur een klein kerkje gebouwd en tot vandaag de  dag(4) toe is het beurtelings „kerk" te Exmorra en Allingawier. Er zijn plannen geweest, om het kleine bedehuis in Allingawier af te breken. Daarover is  heel wat geschreven, maar de Gereformeerden van  Allingawier hebben 't kerkje keurig gerestaureerd  en de dreiging voor hen is afgewend. In 1893 werd geprobeerd een combinatie met Tjerkwerd aan te gaan, wat echter toen mislukte.  Eerst in 1956 is deze samenwerking tot stand  gekomen, nadat Exmorra en Allingawier eerst een aantal jaren met Wons en later met Schraard een akkoord hebben gehad. Ds. Nieborg vertrok in 1893.

Een vacature van 8 jaar volgde. Toen kwam ds. A.G.H. Schippers, die tot 1907 bleef. Zijn opvolgers waren ds. U. Buwalda  (1908—1915) en ds. H. de Lange (1918—1924),  terwijl ds. E.N. van Loo van 1929—1946 de  combinatie Exmorra-Allingawier en Wons diende.  Na zijn vertrek probeerde Exmorra c.s. het met  Schraard, maar dit leverde geen dominee op. In  1956 kwam een overeenkomst met Tjerkwerd tot  stand, welke kleine gemeente sedert haar instituering in 1891 steeds vacant was geweest en  deze combinatie heeft thans als herder en leraar ds.  J. Schelhaas (gekomen 14-4-1957). De Geref. kerk van Exmorra en Allingawier telt 176  leden, die van Tjerkwerd 84. Exmorra heeft tamelijk laat een Christelijke school gekregen. De stoot tot de oprichting ging ook niet uit van de bewoners zelf, maar van de Bond van  Christelijke scholen in Wonseradeel. Vooral Wons  was een centrum van actie en een groot aandeel  daarin had meester Klaas Floor. De bond belegde in verschillende plaatsen openbare vergaderingen, 's  Middags trad een predikant op en des avonds hield  een onderwijzer een referaat. Van de stichting van de school te Exmorra vertelt het gedenkboek „Van  Strijd en Zegen" het volgende:

Zo hadden de vrienden eens het orthodoxe dorp Exmorra, waar nog steeds geen School met de  Bijbel was, voor hun schooldag uitgekozen, 's  Middags voor „kerktijd", komt een der Wonser vrienden bij zijn zwager in dat dorp. Maar 't gelaat  van de zwager stond niet als gisteren en eergisteren. „Jullie hebben onze gemeente in rep  en roer gebracht," zegt hij, „'t staat allemaal in  brand!" „Wat ben ik blij," zegt de bezoeker, „dan komt er wat goeds. Jezus heeft gezegd: Ik ben gekomen om vuur te werpen op aarde." „Jij hebt goed praten," herneemt de eerste, „de  mensen zijn woedend." „Ja, ja," is het antwoord, „jij  hebt een winkel, maar God is daarboven verheven."

Er kwam iets goeds: In 1886 werd te Exmorra een Christelijke school geopend, zodat de openbare nu  en dan leeg stond. Tot zover het verhaal. Ik geloof, dat de schrijver zich in het jaartal vergist, want in „De Standaard"  van 12 juni 1885, die nog in het school-archief  aanwezig is, werd een hoofd gevraagd tegen 1 september 1885. Het eerste notulenboek is zoek, maar de eerste afrekening loopt over het jaar 14 oktober 1885—14 oktober 1886 en hierop komt het  volle salaris van het eerste hoofd voor, zodat we  mogen aannemen, dat de school op 14 oktober  1885 is geopend. Uit een contract, dat ook nog  aanwezig is, blijkt, dat het schoolbestuur werd  gevormd door ds. Jac. Schuurmans Steekhoven, predikant, Bouke Wiersma en Johannes Postma,  landbouwers te Exmorra en Ulbe Gabes Winia en Ids Pieters Wiersma, landbouwers te Allingawier. In 1883 was men reeds begonnen met inzamelingen  en in hetzelfde jaar was de vereniging opgericht, waarvan de statuten, waarin ook de naam van ds.  Schuurmans Steekhoven voorkomt, de 19de januari 1884 goedgekeurd. De staatscourant met  dit besluit is ook nog aanwezig. Wat de inzameling betreft, men wist in Exmorra wel van geven. De vrienden van Wons waren in dit opzicht ook goede raadgevers. Het zo pas genoemde gedenkboek vertelt b.v., dat een boer in Parraga „de Wonser vrienden" eens uitnodigde en hun vroeg, hoe je nu zo'n school moest oprichten.  „Heel eenvoudig," was het antwoord. „Je maakt  een lijst klaar en zet daarboven „Intekenlijst voor een Chr. school". Vlak daaronder zet je je naam en daarachter ƒ 1000. Dan ga je er mee naar boer  N.N. en die tekent ook voor ƒ 1000 enz." Of de  raad precies gevolgd is, zegt het gedenkboek,  weten we niet, maar wel, dat de Christelijke school  er een half jaar later stond. In Exmorra begon men ook met een intekenlijst. Het stuk is zeer vergeeld — nog aanwezig. Er komen grote en kleine bedragen op voor, al naar de gever kon missen. Misschien zullen lezers in de volgende namen nog  een grootvader of grootmoeder herkennen:

                                                                      

  

     
Joh.B. Postma

ƒ 500,-

Wed. J.J.A. Feenstra

ƒ1000,-

B.J. Wiersma ƒ 100

ƒ 100,-

D.T. Algera

ƒ 65,-

B.T. Algera

ƒ 50,-

J.S. Haitsma

ƒ 25,-

T.B. Wiersma

ƒ 5,-

W.B. Kroontje

ƒ 3,-

D.J. Kramer

ƒ 2,50,-

J.E. Feenstra

ƒ 25,-

W.G. van der Meer

ƒ 2,50,-

L.D. Damstra

ƒ 25,-

C.D. Damstra

ƒ 25,-

A.S. Tijsma

ƒ 5,-

K.B. Kroontje

ƒ 5,-

A.B. Kroontje

ƒ 25,-

Achter  de namen van Joh. Bijlsma, K.E. Feenstra, S.D. Wouters, D.D. Steensma, R.F. Boersma, F.F. Boersma, W.M. Tilstra, H.W.  Walinga en A.T. Westra staan geen bedragen vermeld, maar uit het feit, dat hun namen op de lijst prijken, zullen we wel mogen afleiden, dat ze tot de  gevers hebben behoord. Sierk D. Wouters was b.v. al heel spoedig bestuurslid.

De school kon dan ook begonnen worden met een saldo, iets wat niet vaak voorkwam. Op 14 oktober was de school gereed en deed het eerste hoofd, de heer Folkert Roosjen, zijn „intree". Er was toen ƒ673.71 in kas. Het is, ter vergelijking met thans, wel eens aardig om de eerste jaarrekening over te nemen.  

Ontvangsten

               14 oktober 1885 in kas

ƒ

673,71

Subsidie hoofdcomm. van Chr. Nat. Onderwijs

200,--

Contributie van de leden

279,--

Augustus (unie) collecte

76,--

5 collecten in de kerk

137,24

½
Schoolgelden

325,43

Grondpacht

15,99

Buitengewone ontvangsten:
Overschot Jong.ver 31,71
Evang. Bolsward  3,--
Vrouw K. Plantinga  3,--
Door U.G. Wynia  2,--
Door Joh. Postma  0,75
Van A.B. Wiersma  5,--
Van R.T. Wiersma  5,--
Van W.E. Feenstra (begrafenis) 10,--

-

60,46


Totaal          ƒ

1767,83

½

Uitgaven

                     Tractement hoofdonderwijzer

ƒ

800,--

Naailes Wed. Tolsma

40,--

Rente Kroontje

18,--

Not. Ledeboer

50,05

Steenkool van Randen

30,--

Turf K. Kroontje

4,50

Belasting en assurantie

34,50

Tuinwerk A. Kroontje

5,--

Idem A. Boomsma

0,50

Schoonhouden school

5,--

Gordijnen

7,44

Schoolschriften enz

6,80

Circulaires

2,25

Aan not. Ledeboer

22,32

½
Kassier Brouwer

0,45

Rekening F. Dijkstra

84,74

Kachel

37,45

Erven Algera

25.58


Totaal          ƒ

1172,78

½

 

                                           Een. hoekje in Allingawier

 

 Recaputulatie:

                                                                   Ontvangsten

ƒ          1767.83

½
Uitgaven

1172.87

½

Blijft

595.05

Aldus verantwoord den 15den October 1886 door  B. J. Wiersma, penningmeester.

Met ziet, dat het tractement van meester Roosjen  de hoofdmoot uitmaakte. De „salarissen" van de naaijuffrouw en de school-schoonmaakster, resp. ƒ40 en ƒ5(!!) in een heel jaar, waren niet bepaald hoog, terwijl de post voor schoolbehoeften menig  gemeentebestuur thans zouden doen watertanden. Ik denk, dat de lei wel menigvuldig zal zijn gebruikt. Zoals ik reeds opmerkte, was meester Roosjen het  eerste hoofd. De keurig geschreven uitvoerige brief, waarin hij de  benoeming aanvaardt, is nog in het archief. Hij is de  vader van het tegenwoordige Kamerlid Roosjen(5),  die elk lid van de N.C.R.V. wel kent. Hij bleef tot 1888 en werd opgevolgd door de heer D. Folkerts, die tot 1896 dienst deed, toen hij naar Scharnegoutum vertrok. En dan wordt de leiding  van de school 40 jaar lang op uitnemende wijze gevoerd door de heer Matth. W. Camping. Hij was een liefhebber van de kennis der natuur en zag in de wonderen daarvan de hand Gods, zoals zijn boekjes „Uit de Schepping" getuigen.
Toen de  schoolradio nog in de kinderschoenen stond, verzorgde hij voor de N.C.R.V. vaak de lessen over de natuurlijke historie. En dan was hij een vader van hen, die harpen en orgelen hanteerden, zou ik haast zeggen, maar de harpen en orgelen waren  dan blaas- en slaginstrumenten. Zo is hij jaren voorzitter geweest van de bond van „oude" muziekkorpsen, die nu reeds 62 jaar bestaat(6).  In 1936 ging meester Camping met pensioen. Hij vestigde zich te Soest. Direct na de bevrijding  kwam hij in huis bij zijn zoon, de heer S. Camping  te Huizum, waar hij 3 augustus 1945 is overleden.  Met zijn vrouw en twee kinderen ligt hij begraven  op het kerkhof te Exmorra, het dorp, waarvoor hij zoveel heeft betekend. Na zijn pensionering was de  heer J. Mink hoofd geworden, die 20 jaar in Exmorra heeft gewerkt. (1956). Hij is opgevolgd  door het tegenwoordige hoofd, de heer H. Tjalsma (7). De school telt 82 leerlingen. Was het karakter der school na de doleantie min of meer gereformeerd, later is de verhouding veranderd en  thans hebben 3 leden van elke kerk zitting in het bestuur, terwijl het hoofd Hervormd of Gereformeerd  is („om en om"). De openbare school heeft steeds een noodlijdend bestaan gehad, nadat de christelijke school was  opgericht. Zoals hiervoor reeds bleek uit het  verhaal van „Van Strijd en Zegen" stond ze zo nu  en dan leeg. In 1893 besloot de gemeenteraad tot opheffing, maar dit besluit werd na advies van gedeputeerden door de Kroon vernietigd. Sedert dien heeft ze nog 40 jaar bestaan, maar het aantal  leerlingen was steeds zeer klein. Enkele kinderen uit roomse of vrijzinnige gezinnen bevolkten de  school, maar meer dan eens was dit aantal beneden de 10.
Tenslotte besloot de raad de 28ste mei 1932 tot  sluiting met ingang van 5 augustus. De 29ste juni waren de laatste kinderen al op andere scholen  ondergebracht en zo kon de sluiting dus toen reeds  plaats hebben. Het gebouw, dat omstreeks 1890 in de plaats was gekomen van school en schoolhuis  van 1833, is thans in gebruik bij de Hervormde  gemeente van Exmorra. De enkele R.K. kinderen van Exmorra bezoeken de school te Bolsward.

Exmorra en Allingawier zijn allebeide echte greiddorpen. De bevolking is dan ook niet sterk  gegroeid in de eeuwen die zijn voorbijgegaan. Omstreeks 1840 woonden in Exmorra 200 mensen, te  Allingawier 125. Die getallen zijn nu resp. ± 400 en 150(8). Toen de meren nog bestonden, werd er veel aan visserij gedaan, maar na 1878 was het  met dit middel van bestaan uit. Door de  drooglegging van de beide grote plassen werd er, zo stond in een krant van 1878, 850 ha vruchtbaar land verkregen. 

De Ned. Herv. Kerk te Exmorra

 

Dat zal wel tegen de opbrengsten van de visserij, die verloren gingen, opgewogen hebben. De verbindingen werden in deze tijd ook beter. In  1886 vergaderde een commissie in „Jagtlust" te Exmorra over de aanleg van een grintweg van Exmorra naar Allingawier en Idsegahuizen, die kort  daarop is aangelegd. In de omgeving van beide dorpen zijn heel wat boerderijen. Als plaatsen en buurtjes werden een paar eeuwen terug al genoemd 't Paddehuis (later afgebroken) Vaders hofstee, Sibrandsburen, de grote gasthuisplaats bij Exmorra, Bania en Vierhuizen onder Allingawier, waar zoals ik al meedeelde, ook eens de Aylva- state stond. In Exmorra werden 24, in Allingawier 22 stemmen uitgebracht, wat ook wijst op een behoorlijk aantal boerderijen. Het water was hier ook vaak het grote lastpost.  Reeds in de 12de eeuw werden tegen deze  erfvijand maatregelen genomen. Kort na de vorming  van de Schraarderhem, ontstond de hem van Exmorra. De dijken van deze hem moesten beschermen zowel tegen het zeewater als tegen  door de westewind opgezweepte golven van de beide meren. De dijk van deze hem liep iets ten  noorden van de Exmorrazijl naar Longerhouw en de Kleine Klaver naar de Marnezijl bij Bolsward  (tegelijk dijk van de Schraarderhem), vervolgens  zuidwaarts naar Tjerkwerd, waar het gebied van Exmorra grensde aan de Iemwâlder hem, waarin Tjerkwerd en Wolsum lagen en vandaar westwaarts tot iets ten noorden van Bonjeterp en dan langs Exmorra weer naar de zijl. Allingawier lag er dus niet in. Reeds in de 15de  eeuw zijn de Schraarder- en Exmorrahem  verenigd. De familie Wibranda, waarover ik bij  Burgwerd schreef, had een belangrijk aandeel in het onderhoud van de dijken en de zijl. Later  geschiedde dit door de stad Bolsward en de  dorpen, die er belang bij hadden. Ook Hennaarderadeel en Baarderadeel hadden interesse bij de zijl, die zij gebruikten voor de  afwatering. Een dijkgraaf en een gecommitteerde  hadden het toezicht op de dijken. Toen in 1835(9) de zeedijken doorbraken boden de hemdijken geen heil. Zij bezweken ook en de balken, die in het „weingat" van Schraard moesten  worden aangebracht bij overstroming, waren zoek.  Na de ramp zijn de waterkeringen hersteld,  waarvoor de ingelanden een bepaald bedrag moesten betalen. Meer en meer echter onttrokken belanghebbenden zich aan hun plichten. Op den duur werden hele stukken van de oude hemdijk vergraven, zo bij de aanleg van het Panhuyskanaal tijdens de drooglegging van de meren. Hier en daar  is nu nog een fragment van de oude dijk over, b.v.  bij Tjerkwerd en de weg van Exmorra naar Bonjeterp, maar de hem als waterstaatkundige eenheid is niet meer. Men kan de geschiedenis er van lezen in het werk van de heren Rienks en Walther en in de atlas bij dit werk staat een  prachtkaart van dit gebied. Tenslotte nog iets over de oorlogsjaren. Exmorra en Allingawier waren toen ware Adullams. Zeer veel vluchtelingen vonden hier onderdak. Een gedenksteen te Exmorra getuigt van hun dankbaarheid. Het afwerpterrein van wapens door de geallieerden heeft ook vermaardheid  gekregen. Exmorra heeft echter ook zijn  slachtoffers: Jelle Huitema werd bij een poging tot ontvluchten neergeschoten en Hendrik Postma viel  bij de bevrijding als lid van de Binnenlandse  Strijdkrachten. 

(*1)

(1) ±1959-1961
(2) ±1959-1961
(3) ±1959-1961
(4) ±1959-1961
(5) ±1959-1961
(6) ±1959-1961
(7) ±1959-1961
(8) ±1959-1961
(9) Ongetwijfeld een zetfout. Dit is de stormvloed  van 1825

 

 

Index pagina

Vorige pagina

 

Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel